De volgende richtlijnen zijn bepalend voor het beoordelen van een locatie op zijn geschiktheid voor het plaatsen van nieuwe ondergrondse containers die in het kader van de invoering van het Beleidsplan afval en grondstoffen 2019 – 2023 worden geplaatst. Het betreft hier nadrukkelijk richtlijnen. Indien er concessies moeten worden gedaan om in niet optimale situaties toch een ondergrondse container te kunnen plaatsen, kan het college besluiten om hiervan af te wijken.

1. Aansluitingen

Voor het aantal huishoudens dat is aangesloten per ondergrondse container worden de volgende aantallen aangehouden:

1.1 Het aantal huishoudens dat is aangesloten op containers voor PMD + REST afval gemiddeld 40 per ondergrondse container.

1.2 Het aantal huishoudens dat is aangesloten op containers voor oud papier en karton is gemiddeld 80 per ondergrondse container.

2. Loopafstand

De loopafstand per perceel naar een ondergrondse container moet zo klein mogelijk zijn. De richtlijnen betreffen streefwaarden. Indien er binnen de genoemde afstand geen mogelijkheid is om een locatie aan te wijzen, kan het college besluiten hiervan af te wijken. Voor de ondergrondse containers voor PMD + REST afval en oud papier en karton gelden de volgende streefwaarden:

2.1 De loopafstand tussen een perceel en een ondergrondse container voor PMD + REST is maximaal 125 meter.

2.2 Voor ondergrondse containers voor Oud Papier zijn geen maximale afstanden vastgesteld. De betreffende containers worden bij natuurlijke aanlooproutes geplaatst. Bijvoorbeeld in de buurt van winkelcentra.

3. Bereikbaarheid en toegankelijkheid

3.1 De afstand van de inzamelvoorziening tot aan de gevel van de woning bedraagt minimaal 3 meter en bevindt zich niet recht voor een deur, onder een raam of een balkon. Het betreft hier een minimale afstand, bij voorkeur is de afstand langer.

3.2 De inzamelvoorziening wordt bij voorkeur langs een natuurlijke aanlooproute geplaatst.

3.3 De inzamelvoorziening wordt zodanig geplaatst dat de doorloop op het trottoir voor voetgangers, kinderwagens en minder validen niet wordt belemmerd.

3.4 Minimale doorloop langs de inzamelvoorziening is 1,50 meter.

3.5 De inzamelvoorziening wordt in beginsel niet direct naast een speelplaats geplaatst.

3.6 Het plaatsen in hoogteverschillen (flauwe taluds) wordt zo veel mogelijk voorkomen.

3.7 De ondergrondse container wordt bij voorkeur op de huidige afvalaanbiedplaatsen gerealiseerd.

3.8 Ondergrondse containers voor grondstoffen worden bij voorkeur bij elkaar geplaatst, in de vorm van zogenaamde milieuparkjes.

4. Doelmatig gebruik openbare ruimte en beperken overlast

4.1 Verleggen van kabels en leidingen moet tot een absoluut minimum beperkt worden.

4.2 Kabels, leidingen en rioleringen kunnen een locatie ongeschikt maken.

4.3 De locatie is zodanig gesitueerd dat er zo min mogelijk graafwerkzaamheden nodig zijn in vervuilde grond.

4.4 In geval twee containers nodig zijn gaat de voorkeur uit naar één locatie met twee containers in plaats van een extra locatie.

4.5 Er worden in principe geen bomen gekapt en trekwortels afgehakt bij de plaatsing van een nieuwe inzamelvoorziening.

4.6 Het aanwijzen van locaties die ten koste gaan van parkeerplaatsen zullen tot een minimum worden beperkt.

5. Lediging

5.1 Lediging dient te kunnen geschieden zonder dat de container daarbij over geparkeerde auto’s en vrij liggende fietspaden heen hoeft te worden getild.

5.2 Het inzamelvoertuig dient genoeg ruimte te hebben om de container veilig te bereiken en te ledigen, zowel in het horizontale als in het verticale vlak.

5.3 Er wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met groen en de aanwezigheid van bomen in verband met de lediging, zowel wat betreft het aanwezige wortelpakket als met de kruin.

5.4 Het achteruit rijden van het inzamelvoertuig om een container te bereiken dient zoveel mogelijk voorkomen te worden.

5.5 In situaties waarbij het plaatsen van een ondergrondse container niet mogelijk is kan (tijdelijk) een bovengrondse dan wel semi-ondergrondse voorziening met een toegangssysteem worden geplaatst. Deze bovengrondse voorziening wordt zo geplaatst dat het geen gevaar oplevert voor het verkeer.

6. Verkeer en veiligheid

6.1 Containers worden zodanig geplaatst dat er bij lediging minimale verkeershinder en oponthoud ontstaat.

6.2 De inzamelvoorziening ligt niet aan een drukke doorgaande weg.

6.3 Er worden geen locaties aangewezen op hoeken van drukke verkeerskruisingen (hoofdnetten voor OV- en autoverkeer) of waar meerdere verkeersstromen bij elkaar komen.

6.4 De inzamelvoorziening bevindt zich niet naast of 20 meter voor een bushalte of naast een busbaan.

6.5 De ondergrondse containers moeten ten minste 5 meter verwijderd blijven van een voetgangers- of fietsoversteekplaats (VOP of FOP).

6.6 De inzamelvoorziening is zodanig gesitueerd dat gebruikers die wonen aan een drukke doorgaande weg zo weinig mogelijk hoeven over te steken om hun afval aan te bieden.